"Ik kan niet tegen de geur van chocolade"

Rob kookt bij Autstekend met groepen Autistische kinderen van verschillende leeftijden

Een tijdje geleden – ik zat nog in de opleiding tot kindercoach – mocht ik een dag meelopen in het Kookcafé “Autstekend” van Rob de Vries in Alkmaar. Rob kookt daar met groepen Autistische kinderen van verschillende leeftijden. Hij is er mee begonnen omdat hij merkte dat zijn eigen zoon met autisme heel rustig wordt van koken.

“Ik kan niet tegen de geur van chocolade”
Voor de zes jongentjes – ze waren allemaal ongeveer 11 jaar oud – stond er die dag het bakken van chocoladekoekjes op het programma. Ze hadden allemaal de indicatie Autisme in combinatie met ADHD. De heren stuiterden dan ook door het hele kookcafé heen. Vanaf het moment dat het koken begon was de focus er en werd de groep rustig. Op het moment dat één van de jongetjes de chocolade aan zijn recept moest toe gaan voegen weigerde hij dat en werd hij heel onrustig. Hij kon de geur van chocolade niet verdragen en moest de keuken uit. Hieruit blijkt maar weer wat het effect van een enkele geur kan zijn. Nou weten we dat kinderen met ADHD en Autisme vaak veel prikkels binnen krijgen. Geluiden, licht en prikkels via de huid. Een prikkel die vaak onderkent wordt is die van een geur.

Prikkelarme omgeving
Elke ouder heeft het wel eens gedaan, zijn of haar kind naar zijn kamer sturen om even af te koelen. Maar ook om jezelf rust te geven. Even geen overbodige prikkels meer. Een leraar die weet dat een kind moeilijk prikkels kan verwerken zet hem of haar dan ook oordoppen op in de klas, zodat het kind in ieder geval de geluidsprikkels niet meer binnen krijgt. Een “kind” met een verstandelijke beperking wordt een tijdje in de snoezelruimte begeleidt om rustig te worden. In de psychiatrie wordt daar de separeerruimte voor gebruikt. Alle methodes zijn bedoelt om de prikkels te blokkeren of minimaliseren. Maar wat nou als er juist in deze ruimtes een geur hangt waar de patiënt onrustig van wordt. In het geval van het autistische jongentje uit het kookcafé zouden de oordoppen zeker helpen. Als zijn vriendje naast hem allen net een boterham met chocoladehagelslag heeft gegeten, dan hebben de oordoppen niet zoveel zin meer. Je moet het maar weten.

Mijn passie voor koken en eten
Voordat ik de opleiding tot kindercoach begon en mij uiteindelijk heb omgeschoold tot kokende kindercoach ben ik 15 jaar werkzaam geweest in de psychiatrie. Niet aan het bed, maar als beleidsmedewerker communicatie. Ik kwam regelmatig op de verblijfsafdelingen. Ook in deze periode was er bij mij een grote voorliefde voor koken.

Voedertijd of etenstijd?
Niet alleen het koken interesseert mij, maar ook de kracht van het gezamenlijk nuttigen van een maaltijd. Goed eten is belangrijk en ik weet dat er op de afdelingen veel aandacht wordt besteed aan de kwaliteit van het eten. Het eten voldoet aan alle wettelijke voorwaarden en de verpleegkundigen doen alles wat er binnen hun mogelijkheden past om het voor de patiënten zo aangenaam mogelijk te maken. Bij de wijze waarop het eten gegeten wordt heb ik echter wel mijn bedenkingen. Het is vaak eerder voedertijd dan etenstijd.

Punniken of vingerverven?
Dat het belangrijk is dat patiënten ook andere dingen doen dan alleen maar op een afdeling zijn, daar twijfelt niemand aan. Gelukkig is er op de afdelingen voldoende dagbestedingsaanbod. Dat dit aanbod van dagbesteding aangepast moet worden op de wens van de patiënt, daar valt nog veel winst te behalen. Veel patiënten zijn namelijk niet altijd “de weg kwijt” geweest. Met andere woorden; je frustreert een opgenomen hoogleraar of academicus enorm als je hem de hele dag laat punniken of vingerverven. In het verlengde hiervan moet er ook veel beter gekeken worden naar wat een patiënt lekker vindt om te eten of wat de associaties zijn die patiënten hebben met bepaalde geuren. Voor de ene kan de geur van Detol traumatisch zijn, omdat hij zijn vrouw na een lang ziekbed is verloren; voor de opgenomen internist kan het juist een veilige geur zijn. Ditzelfde geldt ook voor de jonge moeder die niet tegen de geur van poep kan (deze hangt vaak op een afdeling), omdat ze haar kindje is verloren. Geuren en smaken kunnen dus een positief en negatief effect hebben op patiënten.

Eten wat de pot schaft
In veel instellingen geldt nog steeds dat je eet wat de pot schaft. Of je het nou lust of niet. Eigenlijk is dit heel raar, want voordat een patiënt werd opgenomen at hij ook gewoon waar hij zin in had. Maaltijden afgestemd op datgene hij lekker vond. Er zullen dus mensen bij zijn die gedwongen dingen moeten eten, omdat het zo goed voor ze is. Of ze het nou lusten of niet. Ik kan mij voorstellen dat patiënten – die al vaak moeite hebben zich te uiten – als lastig of opstandig worden ervaren op het moment dat ze weigeren te eten.